Historiek
De tijdloze erfenis van het mijnverleden
Villa Thor is de oorspronkelijke directeurswoning van de steenkoolmijn van Waterschei. Sinds begin 1900 is ze onlosmakelijk verbonden met het mijnverleden van de regio.
De ontdekking van steenkool in Limburg
Vanaf de 19e eeuw was steenkool onontbeerlijk geworden voor de energieopwekking, de productie van ijzer en
staal en de huisverwarming. Voortbouwend op theorieën van zijn leermeester, professor Guillaume Lambert, formuleerde André Dumont vanaf 1877 de theorie van de aanwezigheid van steenkool in de Kempen. In 1898 bracht hij de nodige fondsen bijeen om proefboringen te financieren en richtte hij de “Société Anonyme de Recherche et d’Exploitation” op. Na twee mislukte boringen ging de maatschappij failliet. In 1901 wist hij nieuwe kapitalen samen te krijgen en werd de “Nouvelle Société Anonyme de Recherche et d’Exploitation” gesticht, die in de nacht van 1 op 2 augustus van dat jaar in As, op een diepte van 541 meter, steenkool aanboorde.
De steenkoolmijn van Waterschei
Na de ontdekking van Dumont ontstond een ware kolenrush. Begin 1903 waren reeds een zestigtal boringen uitgevoerd door diverse boorgroepen en firma’s en waren een dertigtal concessies aangevraagd. Na zware parlementaire discussies kreeg André Dumont pas op 1 augustus 1906 een concessie voor het kolenveld van As. De bestuurders van de gemeente As verkozen echter een landbouwersgemeente te blijven, waardoor de inplanting van de mijn later in Waterschei gebeurde, waar Dumont de heidegrond gratis kreeg van het gemeentebestuur. Waterschei werd hierdoor één van de latere zeven mijnzetels van het Kempens steenkoolbekken.
De concessie van Waterschei was 2.950 hectare groot, in 1912 uitgebreid tot 3.080 hectare. Het kapitaal van de uitbatingsmaatschappij, Société anononyme André Dumont-sous-Asch, later afgekort tot Charbonnages André Dumont, was voornamelijk in handen van Belgische ondernemingen en rijke Belgische industriëlen: Société Générale de Belgique, Mutuelle de Solvay, Cristallerie Val St.-Lambert, de Laminoirs et Forges de Marchienne-aupont, groep André Dumont-Jourdain, Volksbank van Leuven en persoonlijk kapitaal van baron Goffinet, Jourdain, Coppée en Leon Guinotte.
De schachtboringen in Limburg verliepen echter erg moeilijk. De Kempische bodem bevat drijfzandlagen die tot een diepte van 600 meter voorkomen en daar een druk van 62 atm bereiken. Daarom werden de twee schachten, met elk een diameter van 6 meter, zowel bevroren als gecementeerd. Het eerste deel van schacht 1 was klaar in maart 1915 en van schacht 2 in 1916. Op 26 oktober 1916 werd de mijn echter door de Duitsers bezet en werd de directeur aangehouden, omdat hij medewerking met de Duitsers had geweigerd. Hij werd in Hoei gevangen gezet, samen met andere notabelen uit Genk. De werken aan de steenkoolmijn werden daarop stopgezet. Pas op 6 december 1918 gingen de werken verder en in 1921 bereikte men de eerste kolenlaag op 505 meter diepte. Schacht 1 werd uiteindelijk verder afgediept tot 1.208 meter en schacht 2 tot 1.088 meter. Op 807 meter kwam het ontginningsniveau. Ondanks enorme moeilijkheden met water, drijfzand en breuken was de mijn klaar in 1923. De eerste steenkool kwam boven in 1924. Er werd uiteindelijk steenkool gedolven op verdiepingen op 608, 658, 700,747, 807, 860, 920, 980 en 1.040 meter diepte, de diepste van Limburg.
Er werd in 3 ploegen gewerkt, dag en nacht, zes dagen op zeven. Personeel en materiaal werd met liften, aangedreven via 2 schachtbokken van elk 56 meter, met een snelheid tot 18 meter per seconde naar de boven- en ondergrond getransporteerd. Ondergronds ontstond een gangenstelsel van vele tientallen kilometers lang, waar de kolen ontgonnen werden. In 1949 was de tewerkstelling maximaal met 6.834 mijnwerkers, velen onder hen buitenlandse gastarbeiders. Het topjaar qua productie was 1968 met 1.490.700 ton, de totale productie bedroeg 72.453.000 ton. De mijn werd gesloten op 10 september 1987 omdat het niet langer economisch rendabel was in het Kempense bekken steenkool te delven.
De woning van de directeur-gérant: Villa Thor
Om bij de opstart van de mijn in Waterschei voldoende personeel aan te trekken uit de Waalse steenkoolbekkens, en te vermijden dat de Limburgse cités zouden uitgroeien tot krottenwijken zoals in de Waalse mijnen, spaarde de mijnzetel kosten noch moeite. Bij de aanvang van de mijnuitbating was de Kempische heide immers quasi onbewoond en ontbrak elke infrastructuur. In 1846 stonden in Waterschei welgeteld 32 huizen en woonden er slechts 184 mensen. De tuinwijk (of cité) van Waterschei beschikte finaal over 1.600 woningen voor het personeel van de mijn; in totaal woonden in 1950 reeds zo’n 11.700 mensen in Waterschei. De meeste van de woningen waren, zeker voor die tijd, comfortabel uitgerust en gelegen in groene omgevingen. Binnen de mijncité werden ook alle andere voorzieningen uitgebouwd, om zo de mijnwerkers volledig te binden aan de mijnzetel (maar ook aan de Katholieke Kerk, die een opkomst van het socialisme vreesde in de mijncités): wegen, sportvelden (voetbalvelden achter de arbeiderswijken, tennisvelden in de ingenieurswijken), indrukwekkende mijnkerken, scholen, een kinderheil, cinema’s en ontspanningszalen. Met deze verregaande controle op het dagelijks leven probeerde de mijndirectie haar arbeiders afhankelijk te maken van de mijn en daardoor zo hard mogelijk te laten werken. De grootste bekommernis was enkel en alleen de productie van steenkool. Om die productie optimaal te laten verlopen, werden de mijnen haast op militaire leest geschoeid.
Binnen de cité van Waterschei was Villa Thor de woning van de directeur-gérant, ofwel de grote baas van de lokale mijnzetel en de plaatselijke vertegenwoordiger van de Raad van Bestuur. De directeur-gérant moest elke woensdag in Brussel verslag uitbrengen bij de mijnmaatschappij. Hij vertegenwoordigde de mijnzetel bij de overheid en ontmoette elke vrijdagmiddag de andere gérants van de Limburgse mijnen in de Associatie der Kempense Kolenmijnen. In de paternalistische samenleving rond de mijnzetel was de directeur-gérant de potentaat. Hij had de leiding over het mijnbedrijf en de tuinwijk, maar men zag hem zelden in de ondergrond van de mijn. De directeur-gérant had voornamelijk een controlerende taak; de uitvoerende opdrachten delegeerde hij aan de ingenieurs. De directeur-gérant verdiende bijna vijftig keer het loon van een gemiddelde arbeider en leefde dan ook prestigieus in een kasteel met park vlakbij de mijnzetel. Hij beschikte over een legertje hoveniers, wachters, loopjongens en een chauffeur voor hem en voor mevrouw. Zijn functie was de bekroning van een jarenlange loopbaan als ingenieur in het bedrijf, waarbij hij blijk had gegeven van moed, vastberadenheid, sociale vaardigheden en volgzaamheid. Met de jaren kromp het uurrooster in en nam zijn autoriteit toe, hij alleen bijvoorbeeld mocht een wandelstok gebruiken. Zijn chauffeur bracht hem wekelijks naar Brussel voor de vergaderingen met de Raad van Bestuur en ging terwijl met mevrouw winkelen om de aankopen te dragen. Wanneer het gezin van de directeur-gérant aan zee verbleef, werd de chauffeur opgevorderd om groenten uit de serre van de woning naar zee te brengen. En wanneer griep de directeur-gérant velde, werd het verkeer in de cité omgeleid om zijn rust en herstel niet te verstoren. In de kerk zat hij op de eerste rij en spelde hij de pastoor de levieten indien zijn preek wat te opruiend klonk. De directeur-gérant was ook voorzitter van een rits vaderlandslievende en/of religieuze verenigingen die hem bij elke gelegenheid hulde brachten. In de tuinwijken groette iedereen de directeur-gérant wanneer hij in zijn auto passeerde, als teken van respect en onderdanigheid.
Villa Thor werd tussen 1910 en 1912 opgetrokken in het oudste deel van de tuinwijk, de cité industrielle, nog voor er ook maar een brok steenkool uit de Genkse ondergrond werd bovengehaald. De imposante spits van Villa Thor werd pas in 1926 toegevoegd, maar van in het begin moest Villa Thor vooral één ding uitstralen: prestige. De woning stond bekend als “Maison Sociale”, omdat ze ook gebruikt werd voor de ontvangst van heel wat hoogwaardigheidsbekleders door de directeur-gérant.
Hoewel architect Gaston Voutquenne mag beschouwd worden als de architect van het hoofdgebouw van de koolmijn André Dumont van Waterschei en van de tuinwijk, kan hij niet de architect van Villa Thor geweest zijn, vermits hij pas in januari 1913 in Genk arriveerde. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de eerste bewoner van Villa Thor, ingenieur Joseph Verwilghen, in zijn hoedanigheid van directeur-gérant van de mijn van Waterschei, de bouwplannen van de villa zelf ondertekende. In zijn vooroorlogs ontwerp voor de aanleg van de mijncité had Verwilghen een strak rasterschema uitgezet. Evenwijdig lopende straten werden aangelegd, waarlangs huizen moesten worden gebouwd volgens een zichtbare hiërarchische structuur: pralerige ingenieurswoningen, grote huizen voor de bedienden en huizenblokken voor de arbeiders. De imposante Villa Thor paste dus perfect in dit plaatje. De eerste wereldoorlog en de Duitse bezetting betekenden echter een voorlopig einde van alle geplande bouwactiviteiten. Pas in 1920 herstartte de verdere uitbouw van de mijncité.
In 1925, na het overlijden van Verwilghen, werd zijn opvolger Nestor Fontaine de nieuwe bewoner van Villa Thor. Hij gaf ook de opdracht voor de bouw van de nabijgelegen Christus-Koningkerk. Deze kerk, ingewijd op 11 oktober 1936, is één van de 5 mijnkathedralen die de Limburgse mijndirecteurs tijdens het interbellum lieten bouwen. De burgerlijke en kerkelijke overheden zagen namelijk in de expansie van de mijnen en de opkomst van het socialisme in het katholieke en agrarische Limburg, een ernstige bedreiging voor de ‘zedelijke gaafheid’ van de provincie. Nestor Fontaine bewoonde de villa van 1925 tot 1950, daarna volgde Alphonse Soille (1951-1957). In 1958 schopte voor het eerst een Limburger het tot directeur-gérant. De Vlaamsgezinde Camille Vesters werd aangesteld, een meer dan symbolische benoeming, want al decennialang probeerden de Vlamingen het francofone monopolie van de topfuncties te doorbreken. In 1968, na de oprichting van de Kempense Steenkoolmijnen, waarbij de lokale mijnzetels werden samengebracht in één nieuwe vennootschap met de bedoeling deze economisch te saneren, werd de villa verkocht als privé-eigendom. Sinds 2025 wordt Villa Thor toeristisch uitgebaat als exclusieve vakantievilla voor groepen en is het ook een ideale locatie voor kleinschalige feesten en bedrijfsevents.













